Borstvoeding

Op het moment dat je zwanger bent, gaat er heel nieuw proces beginnen. De foetus begint te groeien, gedurende 40 weken, tot een volgroeide baby. Maar ook je lichaam gaat veranderen. Het lichaam houdt meer vocht vast, het wordt weelderiger en de borsten worden gevoeliger en worden vaak iets groter. Dit is het moment waarop de borsten zich gaan voorbereiden op het geven van borstvoeding.

Het moment dat je pasgeboren baby aan de borst gaat is een logisch, natuurlijk vervolg. Je borsten vervangen het vetweefsel, wat er voor de zwangerschap in de borsten zat, voor melkklierweefsel waardoor het volume vaak toeneemt.

In het derde en tevens laatste trimester van de zwangerschap kan er al een beetje colostrum (de eerste moedermelk) uit de borsten lekken. We zien dit vaker bij een tweede dan bij een eerste kindje. Dit kan geen kwaad, maar houdt er rekening mee dat het wel vlekjes kan geven. Het dragen van ‘zoogcompressen’ is dan handig.

Bijvoeden is altijd kolven

Op het moment dat er besloten moet worden dat een pasgeborene bijvoeding moet krijgen, is het noodzakelijk om dit zoveel mogelijk met afgekolfde moedermelk te doen. Dit kan op verschillende manieren gegeven worden.

Omdat wij het slagen van de baby aan de borst belangrijk vinden, zullen onze kraamverzorgende gaan bijvoeden met een spuitje, lepeltje, cupje of aan de borst met een slangetje. Op deze manier blijft het geven van borstvoeding in tact en raakt een pasgeborene niet verward met de flow van een flesje.

Het drinken uit een flesje is een andere techniek dan het drinken aan de borst. Een baby hoeft met een flesje niet meer te doen dan alleen maar te slikken. De andere methodes kunnen onze kraamverzorgende goed uitleggen en zij zijn voorzien van alle hulpmiddelen.

Oorzaken om bijvoeding te moeten geven, kunnen zijn: daling van temperatuur, daling van het gewicht (buiten het normale en bij meer dan 7%), verminderde melkproductie bij de moeder.